Deze website maakt gebruik van Cookies Wij gebruiken cookies om je surfervaring op onze site te optimaliseren. Bezoek je onze website, dan vragen we je om akkoord te gaan met deze cookies. Meer informatie Cookies toestaan
Nieuwerkerken
Zoutleeuw
Geetbets

Kwaliteit

Rapport kwaliteitsindicatoren 2014 Deel 1  :  Download onze presentatie (PDF)

Op initiatief van de Vlaamse overheid en in samenspraak met de sector worden de eerste concrete stappen gezet in het kiezen voor transparantie rond de werking van de voorzieningen in de ouderenzorg.  Het overmatig geneesmiddelengebruik in de woonzorgcentra is één van de meetpunten. Meten is dan wel weten, maar voor heel wat aspecten in de zorg echter vraagt het toch enige terughoudendheid: wie meet wat en welke conclusies verbindt men er aan?

Het is belangrijk dat bewoners als volwaardige partner mee hun zorgpad en zorgplan kunnen uittekenen. Zorgvoorzieningen dienen hen hiertoe helder en verstaanbaar te informeren over hun zorg- en dienstverleningsaanbod, de prijs die de bewoner hiervoor moet betalen en het te verwachten kwaliteitsniveau.

Vzw St.-Elisabeth’s Dal is zich al langer bewust van het toenemende belang aan transparantie en is hier voor Nieuwerkerken een voortrekker in. Samen met andere woonzorgcentra ontwikkelden we samen de voorbije jaren het kwaliteitssysteem PREZO Woonzorg, waarmee voorzieningen een eigen integraal kwaliteitsbeleid uitbouwen dat kwaliteit aanstuurt vanuit objectieve gegevens en kritische zelfreflectie over tal van domeinen (medicatie, valincidentie, levenseindebeleid, intimiteit etc.). Met PREZO Woonzorg werkt elke organisatie op vrijwillige basis. De registraties die de voorzieningen doen voor de Vlaamse overheid passen hierin, maar PREZO Woonzorg gaat nog heel wat verder. Want het nastreven van kwaliteit is in de eerste plaats een permanente opdracht van de voorziening gebaseerd op metingen en bevraging van bewoners, hun families, op basis waarvan permanente bijsturing en verbetering ingebouwd wordt.

Interpretatiemoeilijkheden indicator medicatiebeleid

Sinds 2009 worden steeds duidelijker alarmsignalen gegeven over het overmatig en verkeerd gebruik van medicatie bij ouderen. Hoe het er in de thuisomgeving aan toegaat weten we nog al te weinig, maar we stellen vast dat het medicatiebeleid in de woonzorg voor verbetering vatbaar is. En dat velen hiertoe bereid zijn en oplossingen zoeken.

Om het medicatiebeleid in kaart te brengen, peilde het sectorrapport naar “het aantal bewoners met vijf tot negen verschillende soorten door de (huis)arts voorgeschreven geneesmiddelen”. Blijkt dat een bewoner een zeer hoog risico heeft op medicatieproblemen wanneer hij meer dan negen door de arts voorgeschreven (enkel op voorschrift verkrijgbare) medicijnen krijgt. Wat op dit moment een probleem vormt bij de metingen is dat het niet duidelijk is wat “voorgeschreven door de arts” betekent. In de ene interpretatie is dat “de oplijsting van alle medicijnen die enkel op voorschrift verkrijgbaar zijn”, in de andere “alles wat op het voorschrift staat” (dus ook een zalfje, of oog- en oordruppels), in de meest brede definitie  “de inhoud van de medicijnfiche in het elektronisch bewonersdossier”. Er is nood aan een eenduidigere definitie om een relevante vergelijking te kunnen maken. Het blijft bovendien belangrijk om in het achterhoofd te houden dat het ene woonzorgcentrum het andere niet is. Daar waar meer zwaar zorgbehoevende bewoners verblijven, zal over het algemeen ook meer medicatie nodig zijn. Maar grote hoeveelheden medicatie kunnen uiteraard ook wijzen op verkeerd voorschrijfgedrag (bv. te veel slaapmedicatie en tranquilizers, te lang voorgeschreven medicijnen…).

Het is duidelijk, ondanks de interpretatiemoeilijkheden staat het buiten kijf dat het medicatiebeleid in de ouderenzorg voor verbetering vatbaar is. Maar het vraagt een inspanning van velen. Aan het begin en einde van de ketting staan de artsen, die beslissen over de noodzaak van farmaceutische behandeling. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid hen nog verder te sensibiliseren om minder voor te schrijven. Ook de rol van de coördinerend raadgevend arts (zorgt onder meer voor een goede samenwerking met de bezoekende artsen, het zorgbeleid en de continuïteit van de medische zorg) is niet onbelangrijk. Die zal de voorschrijvende artsen niet noodzakelijk kunnen beïnvloeden in hun beslissing, maar hen wel een duidelijk inzicht geven in welke medicatie de bewoner al inneemt. De CRA kan hen ook motiveren om de bestaande instrumenten (zoals het formularium en de feedbackrapporten) maximaal te benutten en de guidelines van het Agentschap Zorg en Gezondheid te volgen. Verder in de keten staan ook de apothekers en uiteindelijk het verpleegkundigen en zorgkundigen in het woonzorgcentrum. Zij kunnen hun rol spelen door zorg te dragen voor goede en veilige medicatieverdeling en –toediening, grondige observatie, en adequate rapportering aan het zorgteam én de arts zodat die de voorschriften kan bijsturen.

De registratieresultaten zijn overigens complementair aan wat al  lang vermeld wordt in wetenschappelijke literatuur. Ook het RIZIV en Volksgezondheid werken al jaren aan de overconsumptie bij ouderen en andere doelgroepen.

Een ander meetpunt betrof het aantal valincidenten en drukletsels in de woonzorgcentra. Hoe het er in de thuissituatie aan toegaat, is niet gekend. Net zoals bij het medicatiebeleid zijn er een aantal kanttekeningen.

Voor een correcte registratie en vergelijking tussen voorzieningen moet eerst en vooral de definitie van een valincident worden verfijnd. Op vandaag is er te veel ruimte voor dichterlijke vrijheid vanuit de voorzieningen. Woonzorgcentra die gemotiveerd zijn om te werken aan hun kwaliteit, zullen zo veel mogelijk incidenten registreren in de hoop te leren uit de cijfers, valincidenten correct op te volgen en in de toekomst beter doen. In de statistieken zullen zij echter onterecht bekendstaan als de slechte leerlingen van de klas. Want, zoveel is duidelijk : “wie het niet te nauw neemt met de veiligheid, kan in deze meting al snel geneigd zijn een aantal incidenten niet te vermelden”.

Het aantal valincidenten is bovendien ook rechtstreeks gerelateerd aan het fixatiebeleid. Wie een fixatie-arm beleid hanteert en zo weinig mogelijk gebruikmaakt van vrijheidsbeperkende middelen, zal vermoedelijk een hogere valincidentie kennen. Dergelijke middelen vormen echter een inbreuk op de vrijheid van de bewoner en dragen het risico op zware kwetsuren.

Veel hangt ook af van de zorgzwaarte van de bewoners van een voorziening: een woonzorgcentrum met veel actieve ouderen met dementie zal meer valincidenten kennen dan een woonzorgcentrum.

Het is waardevol dat residenten, medewerkers en familieleden deze “resultaten” onder ogen krijgen en discussiëren over het beleid dat ze willen voeren. Veiligheidsrisico’s en valincidenten enerzijds en vrijheidsbeperkende maatregelen anderzijds vormen immers bijzondere dilemma’s in de zorg. Ze vragen een richtinggevend beleidskader voor zorgmedewerker en extra deskundigheden om dit telkens op individueel niveau en in samenspraak met de bewoner en familie de juiste stappen te zetten.

Drukletsels

Ook hier stellen er zich weer problemen met de definitie en worden bijvoorbeeld rode vlekken al meegeteld als druk ‘letsels’ ook hier heeft de overheid weer totaal geen zich op de kwaliteit van de meting en kunnen instellingen ervoor kiezen om (een aantal) incidenten niet te melden.

De zwaar zorgbehoevende en weinig mobiele ouderen die we in onze beide huizen verzorgen zijn erg kwetsbaar voor drukletsels, zeker in combinatie met bedlegerigheid en vrijheidsbeperkende maatregelen als fysieke fixatie.

Naast andere factoren van verhoogde kwetsbaarheid kunnen ondervoeding, zwaarlijvigheid en vasculaire stoornissen de kans op drukletsels doen toenemen.

Vzw St.-Elisabeth’s Dal vindt het in deze vooral belangrijk dat woonzorgcentra bijhouden hoeveel drukwonden ontstaan zijn in het woonzorgcentrum zelf en of ze die al dan niet hadden kunnen vermijden.

Over het levenseinde

De zorgvoorzieningen houden cijfers bij over wie van de bewoners in het woonzorgcentrum sterft. Maar hoe moet je de gemeten resultaten interpreteren? Is het “goed” of “slecht” als pakweg 80% of 100% van de overleden personen gestorven zijn in het woonzorgcentrum? Is het “beter” dat alle bewoners overlijden in de vertrouwde omgeving van de voorziening dan bijvoorbeeld in het ziekenhuis? Dat is in elk geval de uitgangshypothese bij de bevraging. Daarbij wordt ook een duidelijke boodschap meegegeven aan artsen en voorzieningen: onnodige en ongepaste ziekenhuisopnames zijn zo veel mogelijk te vermijden in een terminaal stadium om het risico op therapeutische hardnekkigheid uit te sluiten. Dergelijk beleid veronderstelt goede en sluitende afspraken met huisartsen, dokters van wacht èn ziekenhuizen. Dankzij de palliatieve beweging wordt vandaag de dag gelukkig heel wat bewuster omgegaan met comfortzorg in de laatste levensweken.

Een andere meting brengt het percentage bewoners in kaart dat beschikt over een up-to-date plan voor de zorg rond het levenseinde. Een levenseindeplan opmaken is een erg persoonlijke en intieme aangelegenheid die je met de nodige gevoeligheid moet aanbrengen bij de resident. Het formaliseren of op papier zetten van de wensen en verwachtingen naar het levenseinde komt bij sommigen hard aan en mag je niet overhaasten. Daarnaast kan de inhoud ervan ook verschillen van voorziening tot voorziening. Het gaat dus om veel meer dan het afvinken van een lijstje met de aanduiding van een vertrouwenspersoon of vertegenwoordiger, therapiewensen of de do not reanimate-(dnr) code.

In de samenleving blijven we ook zeer omzichtig en beperkt (bijna als een taboe) omgaan met het levenseinde. Tot zo lang kan het niet een exclusieve norm zijn die als kwaliteitsnorm blind gehanteerd wordt bij personen op hoge leeftijd met complexe zorgnoden.

Indicatoren geven een richting, maar vragen duiding. Finaal is en blijft één van de belangrijkste graadmeters van de kwaliteit van de zorg de ervaring van de bewoner over hoe met het onderwerp respectvol wordt omgegaan. Het is dus zaak hier ook in tevredenheidsmetingen verder op in te zoomen.

 

Voorbeeld van de eenzijdige en ongenuanceerde berichtgeving hierover in de krant (Het laatste nieuws)

VOOR HET EERST DOORLICHTING MET KWALITEITSINDICATOREN

Vijf procent van rusthuisbewoners heeft doorligwonden

De Hagelandse rusthuizen werden allemaal doorgelicht.

4,49 procent van de bewoners van de Hagelandse rustoorden kampt met doorligwonden. Het Hageland scoort daarmee vlotjes boven het Vlaamse gemiddelde van 3,97 procent. Koploper is rustoord Keienhof in Tienen, waar 13,6 procent van de bewoners doorligwonden heeft. Dat blijkt uit de kwaliteitsindicatoren die de Vlaamse woonzorgcentra invulden. 12,49 procent van alle Hagelandse rusthuisbewoners is in één maand tijd minstens één keer gevallen.

De rustoorden kregen controles in de maanden maart, april en mei 2013. Volgens de kwaliteitsindicatoren hadden op 20 april de bewoners van het Keienhof in Tienen met 13,6 procent de meeste doorligwonden van alle Hagelandse rustoorden. Maar volgens directeur Geert Roggen is het meetsysteem niet altijd even eerlijk.

Categorieën gemixt

"De personen met doorligwonden van de categorieën 2, 3 en 4 worden in het systeem samengeteld", zegt hij. "Categorie 2 is een lichte, rode plek. Categorie 3 is een kleine wonde en categorie 4 is een diep, onderhuids letsel. In ons rustoord was er amper één bewoner met een doorligwonde van de categorie 3. De overige bewoners bevonden zich allemaal in categorie 2. Hoeveel doorligwonden in een rustoord voorkomen, hangt bovendien af van het aantal zwaar zorgbehoevende personen. 83 procent van onze bewoners is zwaar zorgbehoevend."

Het Keienhof telde in mei 2013 dan weer wel het minste valpartijen met 1,5 procent. Het Hagelandse gemiddelde is 12,49 en het Vlaamse gemiddelde 11,91 procent. "We proberen het risico op een valpartij al in te schatten vanaf de opname", aldus directeur Roggen. "We houden onder meer rekening met de stabiliteit en de graad van ondervoedheid van de bewoners, de geneesmiddelen die ze innemen en het ziektebeeld."

Opleiding en zelfstudie

In de Residentie Sorgvliet in Linter had geen enkele bewoner doorligwonden. Het Vlaamse gemiddelde is 3,97 procent. "Dit is te danken aan ons uitstekende team dat een goede opleiding genoot en ook aan zelfstudie doet", beweert directeur Carine Vanderwegen. "Bewoners die met doorligwonden vanuit het ziekenhuis naar ons worden gebracht, worden meteen doeltreffend behandeld."

Ruimte voor interpretatie

De meeste valpartijen vonden volgens de kwaliteitsindicatoren met 24,7 procent plaats in het woonzorgcentrum Huize Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes in Zoutleeuw. "Ons woonzorgcentrum kampt met een zeer hoog aantal zwaar zorgbehoevende bewoners", verklaart directeur Luc Hermans het cijfer. "Dit is bovendien de eerste keer dat we met dit meetsysteem werken. Er is dus veel ruimte voor interpretatie. Hopelijk komen er vanuit de overheid veel duidelijkere indicatoren die nauwkeurig bepalen wat een val precies is, zodat elk rustoord met dezelfde maatstaven kan werken. Maar dat de kwaliteitsindicatoren er nu zijn, is ongetwijfeld een goede zaak."

In het rustoord Hof Ter Heyde in Bekkevoort hadden de meeste bewoners op 20 maart 2013 een voorschrift van tien of meer geneesmiddelen. Het percentage bedraagt 61,7 procent, terwijl het Vlaamse gemiddelde 43,6 procent is. "Het zijn de huisartsen en specialisten in de ziekenhuizen die de geneesmiddelen voorschrijven", klinkt het bij directeur Luc 's Heeren. "Het is louter onze taak om die voorgeschreven therapieën op te volgen."

Download onze presentatie (Powerpoint)

Download onze presentatie (PDF)